Fiscaliteit uitkeringen overbruggingsrecht

Het ‘klassiek’ overbruggingsrecht voor zelfstandigen

Als zelfstandige kan u beroep doen op het overbruggingsrecht als u noodgedwongen de deuren moet sluiten door o.a. een natuurramp (overstroming, aardbeving …), een brand, een allergie die veroorzaakt is door de uitoefening van het beroep, een vernieling van de bedrijfsgebouwen, economische moeilijkheden of als u failliet wordt verklaard. Het overbruggingsrecht omvat een maandelijkse uitkering, afgestemd op het minimumpensioen voor zelfstandigen, gedurende een periode van maximum 12 (of 24) maanden (tijdens uw volledige beroepsloopbaan). Het stelsel van het overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen wordt geregeld door de wet van 22 december 2016.

Hoe worden de vergoedingen uitgekeerd in het kader van het ‘klassiek’ overbruggingsrecht voor zelfstandigen belast? Dergelijke uitkeringen verkregen door zelfstandigen moeten worden aangemerkt als ‘vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winsten, baten of bezoldigingen van bedrijfsleiders’ en worden opgenomen in de fiscale fiche 281.18 (code 271). Deze vergoedingen worden als ‘vervangingsinkomsten’ gezamenlijk belast tegen de normale progressieve tarieven (Circulaire Ci.RH.241/529.128 van 1 februari 2001).

Het ‘crisis-overbruggingsrecht’ voor zelfstandigen

De wet van 23 maart 2020 (BS 24 maart 2020) heeft de voorwaarden inzake het overbruggingsrecht ten gunste van de zelfstandigen, opgenomen in de wet van 22 december 2016, verruimd en versoepeld. Zelfstandigen die hun activiteit verplicht (gedeeltelijk of volledig) moeten sluiten of minstens 7 opeenvolgende kalenderdagen volledig onderbreken ingevolge de coronacrisis, hebben recht op het crisisoverbruggingsrecht. De hierna besproken fiscale regels gelden ook voor het ‘verlengde’ crisis-overbruggingsrecht dat onder bijkomende voorwaarden kon worden toegekend voor de maanden juli en augustus (KB van 26 juni 2020).

De fiscus publiceerde op 8 juli jongstleden een circulaire over het belastingregime van het crisis-overbruggingsrecht voor zelfstandigen dat in bepaalde gevallen afwijkt van het klassieke overbruggingsrecht voor zelfstandigen (Circulaire 2020/C/94 van 8 juli 2020). Het fiscaal regime is afhankelijk van de inkomstencategorie waartoe de inkomsten uit de onderbroken activiteit behoren.

1. Zelfstandigen met winsten (vak XVII - aangifte PB) of baten (vak XVIII – aangifte PB):

In principe worden de vergoedingen verkregen door een zelfstandige met winsten of baten in het kader van het crisis-overbruggingsrecht gekwalificeerd als vergoedingen ter compensatie of naar aanleiding van enige handeling die een vermindering van de beroepswerkzaamheid of van de winst van de onderneming tot gevolg kan hebben, en worden gezamenlijk belast als winsten of baten.

Er wordt echter in een afwijkend fiscaal gunstregime voorzien indien de vergoedingen worden uitgekeerd n.a.v. een door de coronacrisis gedwongen onderbreking van de zelfstandige activiteit. Hierbij worden zowel de situaties bedoeld waarbij de zelfstandige zijn activiteit verplicht gedeeltelijk of volledig heeft onderbroken naar aanleiding van de sluitingsmaatregelen genomen door de federale overheid, als de zelfstandige die zijn activiteit minstens zeven opeenvolgende kalenderdagen volledig heeft onderbroken naar aanleiding van de coronacrisis. Dergelijke uitkeringen zijn afzonderlijk belastbaar tegen 16,5% in de mate dat ze (samen met eventuele andere verkregen vergoedingen ter compensatie van een vermindering van de beroepswerkzaamheid) niet meer bedragen dat de belastbare nettowinst of -baten van de vier vorige jaren (dit is de zgn. 4x4-regel). Indien de zelfstandige nog geen vier jaar actief is, moet rekening worden gehouden met de werkelijke toestand (dus de nettowinst van slechts 1, 2 of 3 vorige jaren). M.a.w. er mag niet geëxtrapoleerd worden. Voor zover dergelijke uitkeringen meer bedragen dan de belastbare nettowinst of -baten van de vier vorige jaren, zijn ze gezamenlijk belastbaar tegen de normale progressieve tarieven.

Voorbeeld:

- Nettowinst 2016: € 11.500

- Nettowinst 2017: € 8.800

- Nettowinst 2018: - € 2.500 (verlies)

- Nettowinst 2019: € 13.000

De nettowinst van de afgelopen vier jaar bedraagt € 30.800. In de mate dat het totale bedrag van het in 2020 ontvangen crisis-overbruggingsrecht (en de eventuele andere verkregen vergoedingen ter compensatie van een vermindering van de beroepswerkzaamheid) niet meer bedraagt dan € 30.800, worden die uitkeringen belast aan 16,5%.

2. Zelfstandige bedrijfsleiders (van XVI – aangifte PB):

De uitkeringen verkregen in het kader van het crisis-overbruggingsrecht door zelfstandige bedrijfsleiders moeten worden aangemerkt als ‘vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen van bedrijfsleiders’. Deze vergoedingen worden als ‘vervangingsinkomsten’ gezamenlijk belast tegen de normale progressieve tarieven.

3. Zelfstandige helpers (vak IV – aangifte PB):

De beroepsinkomsten van een zelfstandige helper worden fiscaal niet als winsten of baten gekwalificeerd, maar als bezoldigingen van een werknemer aangemerkt. In dat geval worden de uitkeringen verkregen in het kader van het crisis-overbruggingsrecht door zelfstandige helpers aangemerkt als ‘vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen van werknemers’. Deze vergoedingen worden als ‘vervangingsinkomsten’ gezamenlijk belast tegen de normale progressieve tarieven.

4. Meewerkende echtgenoten (vak XX – aangifte PB):

De uitkeringen in het kader van het crisis-overbruggingsrecht worden niet belast wanneer deze worden verkregen door meewerkende echtgenoten. Er is immers in het WIB geen bepaling opgenomen om deze uitkeringen aan de personenbelasting te onderwerpen. Het betreft de meewerkende echtgenoten die bezoldigingen genieten en aangesloten zijn in het maxi-statuut.

Het ‘heropstart-overbruggingsrecht’ voor zelfstandigen

Naast het crisis-overbruggingsrecht wordt ook voorzien in een ‘heropstartoverbruggingskrediet’, dit is een relance-uitkering voor zelfstandigen ter ondersteuning van de heropstart in de maanden juni, juli en augustus van dit jaar. Het betreft een uitkering aan zelfstandigen die door de overheid verplicht werden om hun zelfstandige activiteit (tijdelijk) stop te zetten en die hun zelfstandige activiteit opnieuw opstarten. Hierbij is niet langer vereist dat de activiteit opnieuw zeven opeenvolgende kalenderdagen moet onderbroken worden (KB van 26 juni 2020).

Ook voor deze relance-uitkering is het fiscaal regime afhankelijk van de aard van de activiteit die de zelfstandige uitoefent (Circulaire 2020/C/14 van 4 september 2020).

Voor zelfstandigen met winsten of baten, zelfstandige bedrijfsleiders en zelfstandige helpers (zie hiervoor 1, 2 en 3) worden de uitkeringen verkregen in het kader van het heropstartoverbruggingsrecht gezamenlijk belast als vervangingsinkomsten (i.c. als vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winsten, baten of bezoldigingen) tegen de normale progressieve tarieven. In tegenstelling tot het crisisoverbruggingsrecht wordt voor de zelfstandigen met winsten of baten dus niet in een afwijkend gunstiger fiscaal regime voorzien.

De uitkeringen in het kader van het heropstart-overbruggingsrecht worden niet belast wanneer deze worden verkregen door meewerkende echtgenoten (zie hiervoor 4). Er is immers in het WIB geen bepaling opgenomen om deze uitkeringen aan de personenbelasting te onderwerpen. Het ouderschapsverlof voor zelfstandigen De vergoedingen ontvangen in het kader van het ouderschapsverlof voor zelfstandigen worden op dezelfde manier belast als de uitkeringen in het kader van het heropstartoverbruggingsrecht.

Pieter Debbaut

Docent FHS

VABF vzw

Kleemstraat 84
9041 Gent
T: 09 255 50 94
E: secretariaat@vabf.be

RPR BE0867.781.893 Gent, afd. Gent
IBAN BE56 7370 1423 4488 | BIC KRED BEBB

Erkend vormingsoperator ITAA
Erkenningsnummer KMO portefeuille DV.O102197